Beperking contractsvrijheid: cao en verplichte deelneming

In Nederland is geen sprake van een wettelijke pensioenplicht voor werkgevers en werknemers. De Pensioenwet geldt alleen indien sprake is van een arbeidsovereenkomst en de werkgever ervoor kiest om een (bepaalde groep) werknemer(s) pensioen aan te bieden, of hiertoe verplicht is op grond van een cao of op grond van de Wet Bpf. Eventuele verplichtingen uit hoofde van de cao of de Wet Bpf beperken dus de contractsvrijheid van de werkgever met betrekking tot de arbeidsvoorwaarde pensioen. De werknemer is op zijn beurt in beginsel vrij het pensioenaanbod te accepteren, hoewel ook deze vrijheid begrensd kan worden, zoals bij een verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds of bij lidmaatschap van een cao-sluitende partij.

Binnen één maand na de start van de werkzaamheden moet de werkgever de werknemer schriftelijk informeren over het al dan niet doen van een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst. Deze informatieverplichting geldt ook in de publieke sector, dus ten behoeve van ambtenaren. De werkgever moet ook schriftelijk aangeven binnen welke termijn de werknemer het (eventuele) aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst moet aanvaarden. Verder moet hij opgave doen wie de pensioenuitvoerder is.

Laat de werkgever na de werknemer hierover tijdig te informeren, terwijl voor andere werknemers die behoren tot dezelfde groep, wel een pensioenregeling geldt, dan gaat de wet ervan uit dat de werkgever een onherroepelijk aanbod heeft gedaan. De werknemer kan zich hierop beroepen en het fictieve aanbod van de werkgever aanvaarden. De inhoud van de pensioenovereenkomst is dan gelijk aan die van de pensioenovereenkomsten met de andere werknemers.

Deeltijders of parttimers hebben een wettelijk recht op hetzelfde pensioen als werknemers met een volledig dienstverband. Uiteraard worden pensioenaanspraken verleend naar evenredigheid van de omvang van het dienstverband.

Indien de werknemer niet wenst in te gaan op het aanbod tot het aangaan van een pensioenover­eenkomst, dient hij dit schriftelijk te bevestigen in een afstandsverklaring. Hierin ziet de werknemer met zoveel woorden af van het sluiten van een pensioenovereenkomst.

Onder omstandigheden kan het voor de werkgever nadelig uitpakken indien de werknemer besluit het pensioenaanbod te weigeren, maar toch met de werknemer een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan. In dat geval kan de werkgever mogelijk contractsbreuk plegen richting de pensioenuitvoerder, omdat in de uitvoeringsovereenkomst/het uitvoeringsreglement de verplichting verwoord kan staan àlle werknemers aan te melden. In zo’n situatie doet de werkgever er verstandig aan aanvaarding van het pensioenaanbod als voorwaarde voor het sluiten van een arbeidsovereenkomst te stellen.

Er kan sprake zijn van een verplicht gestelde deelneming in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds. Hiervan kan door de werknemer niet (en uiteraard ook niet door de werkgever) worden afgeweken. Deelneming is dan verplicht voorgeschreven op grond van de Wet Bpf.

Een pensioenovereenkomst kan ook ontstaan na overgang van een onderneming als bedoeld in artikelen 7:662 e.v. Burgerlijk Wetboek, indien de vervreemder op de datum van overgang geen pensioenovereenkomst heeft gesloten met de in de onderneming werkzame werknemer(s) en de verkrijger op de datum van overgang met zijn werknemer(s) wel. In de wet is geregeld dat in die situatie tussen de verkrijger en de overgekomen werknemers vanaf de datum van overgang een zelfde pensioenovereenkomst tot stand gekomen is als tussen de verkrijger en de werknemers die voordien al bij hem in dienst waren.

Naar boven scrollen