Verplichtstellingsbeschikking

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstak­pensioen­fonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen. In de aanvraag moet een omschrijving van de werkingssfeer worden gegeven (beschrijving van de bedrijfsactiviteiten). Meestal vallen niet alleen de werknemers die fysiek belast zijn met de betrokken bedrijfsactiviteiten in de bedrijfstak, onder de werkingssfeer maar ook het ondersteunende personeel en de andere werknemers. In die situatie is sprake van het “in hoofdzaak”-criterium. Daarbij kan òf het aantal werknemers, òf de loonsom, of de omzet òf het aantal gewerkte uren beslissend zijn voor de vraag of de onderneming zich in hoofdzaak bezig houdt met de betrokken bedrijfsactiviteiten en dus onder de verplichtstelling valt. Daarnaast is het ook mogelijk dat de verplichtingsbeschikking zich uitstrekt over niet-werknemers van de betreffende bedrijfstak, zoals zelfstandigen, uitzendkrachten of payrollwerknemers. Dit is afhankelijk van de tekst van de verplichtstellingsbeschikking.

Veel bedrijfstakpensioenfondsen zijn het directe gevolg van afspraken tussen de sociale partners over een cao in een bepaalde bedrijfstak. De procedure voor verplichtstelling komt in hoge mate overeen met de mogelijkheid van algemeen verbindendverklaring van bepalingen van een cao. Belangrijkste doel van de verplichtstelling is dat alle werkgevers in de betreffende bedrijfstak en het daarin werkzame personeel verplicht worden deel te nemen in het bedrijfs­takpensioenfonds, dus ook de werkgevers en/of werknemers, die geen lid zijn van een werkgeversvereniging of vakbond.
Indien de aanvraag om verplichtstelling van de sociale partners voldoet aan het criterium van representativiteit, willigt de minister van SZW het verzoek in beginsel in. Van representativiteit van werkgeverszijde is in ieder geval sprake, indien de verzoekende werkgeversorganisaties ten minste 60% van de werknemers in de bedrijfstak vertegenwoordigen. Een meerderheid tussen de 55 en 60% is eveneens acceptabel, tenzij uit bedenkingen van derden blijkt dat het draagvlak voor de verplichtstelling gering is of er een zeer scheve spreiding van de meerderheid binnen de werkingssfeer ontstaat. Een indicatie hiervoor kan zijn dat niet alle werknemersorganisaties bij het arbeidsvoorwaardenoverleg in de bedrijfstak de aanvraag hebben medeondertekend (bijvoorbeeld alleen grote bedrijven zijn betrokken bij de aanvraag). Bij een representativiteit van minder dan 60% en in geval van bezwaren van derden, dient een door een accountant geverifieerde opgave van de representativiteitsgegevens en de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen overgelegd te worden.

Vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds is mogelijk (hiervoor gelden bijzondere voorwaarden). De mogelijkheid van vrijwillige aansluiting is beperkt als de werkgever niet valt binnen de statutaire werkingssfeer van de bedrijfstak. In dat geval moet met het oog op de taakafbakening ten opzichte van verzekeraars (in ieder geval) aan één van de in artikel 121 Pensioenwet genoemde voorwaarden voldaan zijn.

Gevolg van de verplichtstelling is dat de deelnemers (werknemers) en werkgevers verplicht zijn de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na te leven.

Tegen een besluit van het bedrijfstakpensioenfonds waarin vermeld staat dat de werkgever onder de werkingssfeer valt en dus verplicht moet deelnemen, staat beroep bij de kantonrechter te Rotterdam open.

Artikelen met het onderwerp Verplichtstellingsbeschikking:


Naar boven scrollen